Oude columns www.nlhiphop.nl

Groen                                         geschreven op: 22 maart 2003

De reden dat ik deze zin opschrijf slaat waarschijnlijk volslagen nergens op.‘Waarschijnlijk’, omdat ik, en vele anderen met mij, misschien talloze redenen zou of zouden kunnen verzinnen waarom ik dit opschrijf; en die redenen noemt men vervolgens hun ‘eigen waarheid’, en wie zegt dat een eigen waarheid, hoewel misschien verzonnen, niet waar kan zijn?

Alles slaat waarschijnlijk volslagen nergens op, het doen alsof het allemaal wel een reden heeft, creëert misschien een doel. Waarom ik zeg dat alles waarschijnlijk volslagen nergens op slaat is, omdat een groot gedeelte waar wij, de mensheid, ons dagelijks leven mee vullen, bijna altijd grotendeels vernietigd zal worden door de dood.

Nu kun je natuurlijk inbrengen dat er dan toch nog het nut kan zijn van de dingen die je in het dagelijkse leven doet doordat de dingen die je doet je in leven houden. Maar wat is jouw leven dan, het zou net zo goed dat van een ander kunnen zijn. Wat maakt jouw leven specifiek nuttig?

Nu kunnen we ons fijn gaan afvragen wat het begrip nut nou eigenlijk betekent. Goed, even kort dan…Nut wordt ook wel ‘zin’ genoemd, nut zou je ook kunnen omschrijven als ‘reden’.

Een reden is een argument, de zin van het leven zou je kunnen vertalen als ‘het argument van het leven’. Het enige argument van leven dat mij te binnen schiet is dat je geboren wordt. Waarom leef je? Tja,…Ik werd geboren.

Nog steeds zijn we er nog niet uit wat nut is. Nut is een soort van reden, het is het ‘waarom' van de dingen. Het nut zou ook niet kunnen bestaan, het zou kunnen dat de mensheid het slechts heeft bedacht om het leven zin te geven. In dat geval is nut dus niets. Als het niet niets is, wat is het dan? Dan is het iets. Wat het iets is, is in deze bevindingen tot nu toe zoiets als zin, reden of argument.

Er zijn bepaalde waarheden die algemeen geaccepteerd zijn, dit worden feiten genoemd, en er zijn waarheden die alleen door enkelingen als waarheid worden beschouwd. Het individu is degene die voor hem/haar bepaald wat waar is en wat niet. (Waarheid is relatief.)
Neem het simpele voorbeeld van het feit dat de kleur groen groen is en niet rood. Dit is een feit, het wordt als algemene waarheid beschouwt. Dit feit dat groen groen is, is een door mensen bedacht gegeven, mensen hebben de kleur gezien en gezegd dat het groen heet.
Voordat zij de kleur benoemden was er dus nog helemaal geen sprake van dat de kleur groen groen is. Is een feit dan alleen een benaming van iets dat gezien wordt?
Waarom werd de kleur groen dan groen genoemd, een woord met drie medeklinkers en twee klinkers? Waarom werd groen niet rood genoemd?

Het is moeilijk voor een mens om zich voor te stellen dat een kleur als groen rood heet. Is het woord groen zomaar gegeven aan de kleur groen? Of heeft degene die het woord groen bedacht heeft er het gevoel van het woord groen bij gekregen? Als het geen reden heeft gehad dat de kleur groen groen werd genoemd, dan zou dat betekenen (als we dit voorbeeld algemeen maken) dat taal alleen een begrip aangeeft, en dat datgene dat het woord werkelijk is, het belangrijkste element is.
In dat geval is taal slechts een aanduiding, we kennen de woorden zoals ze zijn maar ze hadden ook iets anders kunnen zijn. Dan is taal helemaal niet zo’n zeker gegeven als het lijkt.

Een feit is toch ‘waar’ als er bewijs van is? Hoe kun je dan bewijzen dat groen groen is. Je loopt naar een ding toe dat groen is en roept: ‘kijk dan, dit is toch groen?!’. Hoe weet je dat dan? ‘Iedereen noemt het groen’. Het is groen….alleen omdat iedereen het groen noemt. De algemene benaming voor iets maakt iets dus een feit? Is het bewijs van dit feit dus dat ‘iedereen zegt dat het zo is’?.

Dat is nog eens beangstigend! Dus als iedereen zou zeggen dat blanken allemaal dom zijn, dan zou dat een feit zijn zonder enig bewijs? Alleen omdat iedereen zegt dat iets waar is, dat ooit een eerste iemand, of eerste iemanden ze zo benoemd hebben? Iets dat ook anders benoemd had kunnen zijn?




Vervelend Verveeld                                           Geschreven op: 31 oktober 2002


Wat ik mij reeds enige tijd aangestuurd door een onbevangen nieuwsgierigheid die zich in vol ornaat in dit relaas ten tonele spreidt afvraag, is de vraag: “vervelen; hoe doe je dat?”. Het is niet voor het eerst dat iemand zich dit afvraagt, heden ten dage is het een onvervalst tijdverdrijf voor jong en oud zich af te vragen wat vervelen is en bovenal: hoe het in zijn werk gaat. Wat het gevolg van dit mysterieus verschijnsel is weten wij allemaal: criminaliteit, hangroepgedrag, psychoses, en meerdere soortgelijke vervelende kwesties.

Dat vervelende van het verschijnsel vervelen maakt het geheel nou zo vreselijk vervelend, het maakt dat het verschijnsel ‘vervelen’ zich in een negatief daglicht waant, daar de gevolgen zich in datzelfde licht, of misschien beter duister, geheel bevinden……

Ieder mens komt in zijn leven weleens iemand tegen die zich verveelt (“wat is er dan?” “ik verveel me zo!”), en de persoon die zegt zich te vervelen uit dit vaak alsof het de normaalste zaak van de wereld is, en wanneer een naïeve nog-nooit-verveelde wanhopig voor de zoveelste keer vraagt “hoe doe je dat dan?”, krijgt deze persoon vaak niets minder dan een gemeen en schamper lachje waarvan zelfs de boter nog niet zou gaan smelten en je zelfs in een veertig graden temperatuur bijna (net niet) je winterjas voor zou aantrekken.

Waarom krijgt de nog-nooit-verveelde geen antwoord op zijn vraag, wat heeft deze persoon misdaan waardoor hij altijd in het duister tast omtrent het ontoereikende begrip vervelen? Beseffen de “verveelden” dan niet, wat zij de nog-nooit-verveelden aandoen met hun schamper gelach? De onbeantwoorde vraag kan mensen tot wanhoop drijven, of erger nog, men wordt depressief, raakt in een psychose, of wordt zelfs agressief; je zou bijna kunnen zeggen dat de nog-nooit-verveelden een potentieel gevaar vormen voor de maatschappij. Een slachtofferhulp voor nog-nooit-verveelden is niet eens zo’n gek idee.

Stelt u zich eens voor, hoe voelt een persoon zich die zich telkens weer noodgedwongen moet afvragen hoe te vervelen, het moet een reuze kwalijke kwelling zijn met bovengenoemde gevolgen van dien. De personen die dag en nacht met de beklemmende vraag rondlopen hebben geen tijd meer om te werken, sporten, of hobby’s uit te oefenen, en slapen daar kunnen deze personen slechts van dromen. Dag in dag uit wordt hun leven beheerst door ‘de vraag’ en er is geen psycholoog die deze mensen kan helpen en medicijnen (anti-vervelina) zijn nog volop in ontwikkeling. Wanneer men zich op het homeopathische pad begeeft zal men slechts zwetende homeopathische artsen aantreffen die wanhopig in hun moestuin op zoek zijn naar de juiste kruiden voor de nog-nooit-verveelden (en daar zijn zij al sedert enkele jaren mee bezig).

Mensen uit alle delen van de wereld hebben zich reeds verzamelt op een speciaal chatkanaal (#nognooitverveeld) en wisselen daar hun ervaringen uit (er zijn zelfs nog-nooit-verveelden liefdeskoppels ontstaan). Op de Filippijnen is een speciaal tehuis (met bubbelbad) opgericht voor nog-nooit-verveelden, in dit tehuis is het woord ‘vervelen’ uit den boze en wie iets ‘vervelend’ noemt wordt op staande voet neergeschoten (door een waterpistool weliswaar, maar toch). Nog-nooit-verveelden die in Nederland wonen krijgen zelfs korting op dierentuinen en musea, en binnenkort wordt het voor nog-nooit-verveelden eindelijk mogelijk een AOW aan te vragen. Edoch blijft het een zwaar, bijna ondoenlijk bestaan voor nog-nooit-verveelden en ik raadt u dan ook ten zeerste aan om zo snel mogelijk een kleine bijdrage te storten op giro 456. Ook grote bijdragen zijn van harte welkom.









Jij bent echt raar                                       Geschreven op: 31 oktober 2002


Het was op een avond, het schemerde, ik was moe en laveloos van invloedrijke middelen en ik stond buiten te midden van een groepje dat een vage conversatie aan het voeren was waarvan het onderwerp me reeds voorbij was gegaan. Het café waarvoor ik stond was een ander café dan anderen, er werd andere muziek gedraaid dan bij andere cafés, en de mensen waren anders dan anderen. In gedachten verzonken stond ik daar, en raakte mij bewust van wat de personen achter mij vertelden. “Weet je wat leuk is, helemaal als punker met hanenkam en al, op een smal bospad naar school lopen, twee oude vrouwtjes die tegenover je staan, en dan beleefd voor ze opzij gaan, moet je die verbaasde koppen dan zien”. “Wat ik laatst had” zei de andere punker “ik zat in de bus, helemaal vol, komt een oud vrouwtje aan, niemand staat voor haar op! En ik sta op, en echt i-e-d-e-r-e-e-n kijken…..”.

Een tijdje terug, ik schat een paar weken, waren wij aan het avondeten en op de een of andere manier kwamen we op het onderwerp ‘normaal zijn’, en toen zei ik zoiets van “ja, ik ben raar ja, maar wat is normaal? Iedereen is raar!”. Toen zei mijn vader dat hij ooit een tekst op een poster had zien staan bij zijn school met: “ooit eens een normaal mens gezien? En, hoe beviel het?”. Goeie vraag……..

Het accepteren van je eigen niet-normwal zijn kan bevrijdend werken, want je verlegt je grenzen, daardoor blijken er ineens dingen mogelijk die je daarvoor niet in je hoofd zou hebben gehaald. Als je bijvoorbeeld een kijkje neemt bij een Hogeschool, dan zie je dat alles vrij “normaal” is, mensen lopen beheerst door de gangen, er zijn geen extreme uitspattingen waaraan je je kunt vergapen. Kijk je op een kunstacademie, zie je ineens mensen op skates door de gangen rollen, of mensen met hun haar recht overeind met de vreemdste dingen sjouwen. Kunstenaars zijn mensen die blijkbaar hebben bedacht niet normaal te hoeven/willen zijn, en uiten dat op hun eigen manier. De mensen op de meer collectievere scholen (grotere scholen), lijken echter hun normaal-zijn geaccepteerd te hebben en houden zich aan die norm.

Bij maatschappijleer heb ik geleerd dat iedere cultuur zijn eigen normen en waarden heeft, en dat, als je niet aan die norm voldoet, je niet normaal bent, en dat zou dan weer leiden tot sancties. Bijvoorbeeld een informele negatieve sanctie, door middel van afwijzende reacties, of een formele negatieve sanctie, waarbij op formele wijze duidelijk wordt gemaakt dat afwijkend/abnormaal gedrag niet getolereerd wordt door “de groep” (of de cultuur). In de maatschappij zijn heel veel verschillende culturen te ontdekken, maar globaal gezien valt er onder de jeugdcultuur een scheiding te maken tussen “normalen” en “alternatieven”. Natuurlijk zijn er heel veel tussenvormen en in de culturen zelf ook weer subculturen, maar we hebben het nu over de scheiding tussen “normaal” en (zogenaamd) “abnormaal”. Met “normaal” bedoel ik dus doorgaans, zoals het gros van de bevolking is. Maar eigenlijk vind ik dat abnormaal en normaal niet echt kan bestaan, omdat ieder mens in mijn ogen anders is. Blijkbaar weten heel veel mensen dit niet, of willen het niet weten, en dus gaan ze anderen kopiëren qua kleding, stijl, idealen, ambities (mode, huisje-boompje-beestje, carrière). Maar goed, aangezien ik me niet kleed volgens mode-voorschriften en niet leef naar door anderen bepaalde voorschriften, behoor ik niet tot de “normalen”, dus automatisch tot de abnormalen. Daarin voel ik me vrij om te doen en laten wat ik wil en niet wil. Voor mij is het abnormaal zijn normaal, en ik moet oppassen dat ik mijn normaalheid in het abnormaal zijn niet boven de normaalheid van een ander stel. Dat is de veel gemaakte fout. En dat is toch ook de reden van alle ruzies en oorlogen? Dat mensen denken dat wat voor hun normaal is, ook automatisch voor een ander moet gelden, zo niet dan is die gene “raar” oftewel abnormaal in hun ogen.

Voor mij is het normaal om muziek hard te zetten, voor mijn moeder niet. Ruzie. Voor een katholiekeling is het normaal om katholiek te zijn en abnormaal om protestant te zijn. Voor een protestant is het weer normaal om protestant te zijn en abnormaal om dat niet te zijn. Voor een islamiet is islamiet-zijn normaal, en christelijk zijn niet, en andersom geldt weer hetzelfde. Voor Hitler was Duitser zijn normaal en hij stelde deze normaliteit boven ieder ander volk. Ieder mens heeft de neiging om wat voor hem normaal is, boven dat van een ander te stellen. Ga nou niet roepen dat die nazi’s anders zijn, want fascisme zit in ieder mens, dat is de zwakte. Maar ieder volwassen mens heeft de verantwoordelijkheid om die zwakte in te zien, en er niet aan toe te geven, voor het te laat is…..!



 
Guus Geluk                                                          Geschreven op: 31 oktober 2002


Jullie denken vast, ik ga eens fijn een column lezen, en denken verder niet na over de mogelijke gevolgen. Wat een naïviteit! Weten jullie wel wat columnisten teweeg kunnen brengen? Hebben jullie weleens nagedacht over wat voor invloed zo iemand heeft op het onschuldige volk? Weten jullie wel wat een macht er met het schrijven gepaard gaat? Ik zal jullie als voorbeeld eens het verhaal vertellen van een columnist die zijn macht zag en greep, en tot ieders verbazing een fortuinlijke machtspositie wist te verwerven.

Er was eens een vader en een moeder Geluk, die op een zonnige ochtend een ooievaar op de stoep zagen staan die hun een zoon bracht, zij noemden hem Guus. Guus was altijd het mooie, speciale jongetje en werd flink verwend en geliefkoosd door moeder Geluk. Deze Guus ging zich steeds meer inbeelden hoe geweldig hij wel niet was, en op den duur ging hij dit zelfs geloven.
Hij werd geboren in Duckstad waar Dagobert Duck de baas was, deze man was de rijkste man ter wereld, en geld stond in zijn politiek dan ook centraal, eigenlijk moest alles hier uiteindelijk voor wijken. Zelfs protesten van de Jonge Woudlopers, onder leiding van de actievoeders Kwik, Kwek, en Kwak, tegen het kappen van het zoveelste bos voor nieuwe geldpakhuizen, hielpen voor geen cent.

Guus groeide op in Duckstad, dus in een multiculturele samenleving (van veel vreemde eenden in de bijt) waar veel dingen nog niet goed gingen, maar ook heel veel dingen wel goed. Veel volkslieden zagen de problemen, omdat de media alleen dit naar voren bracht (spanning en sensatie), en gaven daar stiekem de allochtonen de schuld van, zij hadden echter niet de moed om dat hardop te zeggen. Deze mensen lazen veelal de Telegraaf, de meest gelezen krant van Duckstad, die maar al te graag ieder incident omtrent allochtonen uitgebreid beschreef.

Op zekere dag overleed de moeder van Guus (een wijze vrouw) en zij had voor haar dood nog tegen Guus gezegd dat hij vooral niet de politiek in moest gaan. Guus, die nog steeds dacht dat hij in al zijn doen en laten geweldig was, kon dit maar niet verteren, en na de dood van zijn moeder ging hij zich lekker toch bezighouden met politiek, om te laten zien hoe geweldig hij nog altijd was, ook in zijn politieke daden. Bovendien miste hij de aandacht die zijn moeder hem altijd gaf, en hij hoopte dat, door in de politiek te gaan, de media hem wel zijn portie aandacht zou geven, waar hij altijd zo van genoot.

Guus ging zich zo steeds meer inzetten voor politiek en vond dat er heel veel verbeterd moest worden. Zijn ongezouten meningen beschreef hij in columns in het blad Elsevijf (hét blad voor intellectuele kwakers), en dit blad kopte dan ook al snel met titels als “vol is vol” en “de islam is een achterlijke cultuur”. Eindelijk hadden de Telegraaflezertjes een moedige vertegenwoordiger gevonden, en tot hun grote vreugde trad deze meneer toe tot de partij “Leefbaar Duckstad” (zelfs hun naam was mooi), die een persoon die het geluk met zich leek te hebben wel konden gebruiken.

Guus zei echter wel vaak stoere dingen, maar de argumenten voor zijn stellingen waren vaak ietwat tegenstrijdig. Zo zei hij bijvoorbeeld “vol is vol”, maar hiermee bedoelde hij toch niet dat Duckstad te vol was! Nee, hij had ook gevoel! Voor sommigen was Duckstad te vol. Maar dat had zelfs Donald Duck wel kunnen bedenken.
Het vrij meningloze, beïnvloedbare volk nam echter al lang genoegen met de zin “vol is vol” en werd idolaat van deze Guus. Deze Guus had zijn veren jaren geleden al afgeschoren en werd met dit uiterlijk en zijn uitspraken ook al snel populair bij de neonazi-duckheads.

Alle grijze mannetjes die samenwerkten met Dagobert Duck raakten helemaal verward van de populistische Guus, en voelden zich zo beledigt door zijn uitspraken over ‘de politicussen van tegenwoordig’, dat zij een verhitte strijd aangingen met Guus die inmiddels de Lijst Geluk had gestart. Deze grijze mannetjes riepen echter over het algemeen de wazige dingen die ze altijd al riepen, en sommigen durfden Guus niet eens aan te kijken, ze waren dus eigenlijk ook wel bang voor hem.

Guus leek alle macht te hebben; hij lachte alle grijze mannetjes uit, stopte simpelweg met interviews als zijn stellingen nonsens bleken te zijn, en genoot van alle commotie.
Vanuit zijn villaatje in Duckstad bedacht hij van alles, bijvoorbeeld dat allerlei vergoedingen bij ernstige ziektes voor arbeiders afgeschaft moesten worden, want stel je voor dat hij zijn belastingcenten nog langer aan die kanslozen moest spenderen.
Tussen alle grijze mannetjes was er echter ook nog een groen mannetje (woordvoerder van de Jonge Woudlopers), die Guus doorhad, en kon overreden, dat vond Guus wat minder. Het groene mannetje hoopte met zijn daad het volk wakker te schudden.

Maar het volk wilde toch nog altijd de spannende Guus die zulke mooie beloftes deed (en toch zei anders te zijn dan de rest van de politici), en het merendeel stemde op Geluk. Het geluk leek aan zijn kant, en hij werd uiteindelijk president van Duckstad. Toen hij echter op bezoek moest in een islamitisch land, zag hij de taarten al aankomen, en bedankte na een week voor het presidentschap. Zijn doel was al lang bereikt bij het schieten van de eerste foto’s van hem voor de kranten.
Hij keerde terug naar zijn villaatje en vulde de rest van zijn levensdagen met columns schrijven voor het weekblad Donald Duck, waar hij schreef over de fortuinen die hij had ontvangen van de stichting “Vrienden van Guus Geluk”.
Zo leefde hij nog lang en gelukkig.

Mijn welgemeende excuses mensen, ik heb mijn fantasie weer iets te veel laten gaan, maar daar hebben wel meer columnisten last van...

At your service!

                                                                           

Waarom?                                                                     Geschreven op: 31 oktober 2002

Waarom heb ik de hele tijd geen inspiratie om wat voor tekst dan ook te schrijven? Komt het doordat ik telkens weer denk: ik heb geen inspiratie? En wanneer in Godsnaam wel, ligt het aan de tijd, het gebrek en het moeten? En waarom schrijf ik nu dan toch, en waarom typ ik tegenwoordig steeds vaker dan dat ik schrijf op pen en papier? Ben ik nu geautomatiseerd?
En waarom kon ik niet wachten op het moment dat mijn examens voorbij waren, waarom voelt dat nu zo doodnormaal, waarom heb ik steeds gedacht dat ik zou zakken? Waarom duurde het zo lang tot ik een vakantiebaantje vond, waarom lijken alle uitzendbureautrutten op elkaar en hoe komt het toch dat ik nooit meer teevee kijk?
Waarom werd ik vanmiddag om één uur wakker terwijl ik zo vroeg naar bed ging? En waarom droomde ik over dat ik plotseling op reis ging, wat is daar de betekenis van, is er een betekenis? Waarom zoek ik ernaar, waarom droom ik eigenlijk, en waarom is president Bush zo'n loser?
Waarom zijn Noord en Zuid Korea nu in gevecht, en waarom wordt er niet gewoon gepraat? Waarom worden er überhaupt wapens gemaakt want wat levert het op behalve nog meer dooie mensen en meer geld? En wat is geld eigenlijk, waarom kunnen mensen niet zonder, hoe was het leven geweest als er geen geld was, en hoe is leven überhaupt ontstaan?
Waarom denk ik hierover na en de kassajuffrouw van de Albert Heijn niet? En wat heb je eraan om erover na te denken, wat is het nut van denken eigenlijk, en hebben dingen wel nut, bestaat er 'zin' en wat is dat dan, en is het wel te omschrijven?
Waarom willen mensen altijd alles omschrijven als iets al hun eigen waarheid is, en waarom moet iedereen altijd een ander van zijn mening overtuigen? Waarom geloven mensen andere mensen, komt het doordat zij diegene vertrouwen? Of durven ze zelf niet na te denken?
Waarom bestaat er geloof? En waarin kan ik geloven als toch uiteindelijk niets geloofwaardig is, want niets is zeker, en het leven is ongelooflijk, en hoe kunnen mensen nou beweren dat er na de dood een hemel is terwijl ze het nooit met eigen ogen hebben gezien?
En zou de mensheid nu echt uit één man en één vrouw zijn voortgekomen of komen wij van verschillende soorten mensen? En waar komen die dan vandaan en waarom kunnen mensen zo zeker zijn over dingen? Waarom zijn feiten altijd waar en kan rood niet groen zijn als ik het zeg?
Waarom worden professoren 'slim' genoemd en putjesscheppers 'dom'? Wie heeft slim en dom bedacht, wat is dom en wat is slim? En wie weet of we het allemaal wel goed hebben of doen? En hoe kunnen mensen denken dat we het allemaal goed doen?
Waarom kan ik nooit aanvaarden dat iets is zoals het is, is het dwarsheid, domheid, onmacht, onvrede, waar komt het vandaan, is het goed of juist niet? Wat is goed en wat is fout, en is de duivel niet goed of God juist niet? En waarom hebben mensen dat ooit bedacht? Of hebben mensen het niet bedacht?
Waarom waren de Egyptenaren zo'n hoog ontwikkeld volk, waarom denken mensen dat donkere mensen minder zijn dan blanken, en waarom moest Hitler zo nodig zoveel mensen vermoorden? Waarom deden zoveel mensen eraan mee, en wat had de Nederlandse regering moeten doen om het te voorkomen? Waarom worden mensen na al die ellende toch nog neonazi?
Waarom worden er zoveel gruwelen in de bijbel beschreven en wordt er ondertussen gepredikt dat er vrede op aarde moet zijn? En waarom staat een witte duif altijd symbool voor de vrede en niet een zwarte raaf?
Is vrede mogelijk of moeten wij er slechts naar blijven streven om de wereld zo vredelievend mogelijk te maken, waarom worden mensen blind of doof geboren, is dat zo bepaalt of is het toeval? Bestaat toeval eigenlijk? En waarom denkt de één van wel en de ander van niet? En als het lot bestaat, wie heeft het dan bepaalt, jijzelf of iemand anders? Of creëert het denken dat je een bepaalde bestemming hebt, je bestemming? Waarom?
Waarom leeft de mens meer in de toekomst en het verleden in plaats van in het heden? En wat maakt het leven soms zo verdomd moeilijk? Doe je dat zelf, doet de wereld dat, de mensen om je heen? Is het je lot of lijkt het moeilijk en is het slechts schijn? Of is het juist schijn als alles goed lijkt te gaan, is het leven een grote hel of juist de hemel? En moet de hel dan nog komen?
Waarom worden mensen verliefd en waarom gaat het weer voorbij, waarom gaan mensen trouwen en weer scheiden, wat is er leuk aan housemuziek, en waarom lijk ik van het eerste ogenblik dat ik iemand zie gelijk al te weten hoe diegene is? Waarom heb ik een hekel aan sommige mensen, waarom vraag ik mij steeds af wie ik zelf ben, waarom ben ik geboren, waarom in deze stad, waarom in dit gezin? En waarom lijkt mijn broer totaal niet op mij terwijl wij wel dezelfde ouders hebben? 
Waarom neemt bijna iedereen kinderen, waarom komt iedereen in dezelfde levenfasen, wat verschilt mensen van elkaar, en is er wel verschil?
En waarom roept iedereen altijd dat de mens zich steeds verder ontwikkeld, terwijl de mens vroeger ook at, dronk, sliep, oorlog voerde, vrede stichtte en weer oorlog voerde, wat is dan de ontwikkeling? En waarom wordt er wel over het leven gepraat en niet over de dood, waarom maakt de dood mensen zo bang, waarom sterven zoveel mensen aan kanker? Wat is in Godsnaam het nut van roken? Waarom is alcohol zo aantrekkelijk, en waarom raakt de één eraan verslaafd en de ander niet?
Waarom denk ik continu waarom iets is? Waarom schrijf ik dit allemaal op, en waarom zou iemand dit lezen? Waarom vraag ik mij steeds af 'waarom' terwijl het antwoord nooit helemaal gevonden wordt, en waarom vraagt de één zich wel af waarom en de ander niet?
Waarom?
© Jiska de Vries 2002